Geschiedenis Congo

Oude geschiedenis Hoewel veel documenten laten weten dat Congo eerst door de pygmeeën Mbuti werd bewoond, allerlei paleolithische overblijfselen bewijzen dat Congo al bewoond was door de sedentaire volkeren, 7000 jaar voor Jezus- Christus. Aan het begin van onze jaartelling werd er een grote migratie van Bantoe, die van noord kwamen, langs de kust en rivieren. Verschillende koninkrijken verplaatsen met inbegrip van het Téké Koninkrijk in zuid, de Congo koninkrijken in de kust en in het massief van de Mayombe. De Bantoe introduceerden de metallurgie van ijzer die ooit door sedentaire volkeren werd bewerkt en ze begonnen met de commerciële zaken in Congo.Veel overblijfselen bewijzen dat de Congolese cultuur al ontwikkeld was. De metalen, de aardwerk oven, de tunnel onder de Mont Albert in de buurt van Mouyondzi waren te zien in de 13e eeuw

De Portugese kolonisatie                                                                                                                                                                                                                                                                                                   In 1482, na de eerste ontdekking door de Portugese zeevaarders, is de ontdekkingsreiziger Don Diego Cao aangekomen in de Congolese monding. Hij ontmoet twee grote koninkrijken: het koninkrijk Kongo die het grondgebied tot de buurt van de rivier Cuanza in zuid controleert en het koninkrijk Loango, vazal van het koninkrijk Kongo en het grondgebied in noord en oost controleert. Deze twee koninkrijken worden vernietigd door de intensieve slavernij. Dit ondanks een halve eeuw van egalitaire betrekkingen tussen Lissabon en M’banza-Kongo (de hoofdstad van het koninkrijk Kongo). Door deze spanningen, ellende en destructieve gebeurtenissen (de oorlogen, het vallen van het koninkrijk, de acties van de missionarissen…) besluiten de bevolkingen om de syncretische messiaanse bewegingen te volgen. De meeste bekend van deze bewegingen is van de Antoniens, geleid door Kimpa Vita, ook bekend als Dona Beatrice, een traditionele priesteres die een visioen Sint Antonius van Padoa had. Zij wilde de restauratie van het koninkrijk. Maar zij werd gevangen door de Kapucijnen missionarissen en werd diepe verbrand door de inquisitie in 1706.

De Franse kolonisatie                                                                                                                                                                                                                                                                                                       Van de 15de tot de 19de eeuw werden veel Congolezen als slaven uitgevoerd. In de 19de eeuw bereikte de Franse ontdekkingsreiziger Graaf Pierre Savorgnan de Brazza Ogooú een buitenpost te Ntamo, dat hij Brazzaville noemde. Pierre Savorgnan de Brazza Ogooú sloot in 1880 een verdrag met een plaatselijk stamhoofd waarna het gebied onder Franse “bescherming” kwam. In 1885 en 1887 werden de grenzen van de nieuwe Franse kolonie getrokken na de conferentie van Berlin. In 1891 werd de Franse kolonie Congo officieel opgericht. In 1910 werd Congo- Brazzaville onderdeel van Frans Equatoriaal Afrika. In 1946 werd het een overzees gebied en in 1958 een autonome republiek binnen de Franse Gemeenschap met een nationalist (een vroegere priester)als premier.

1960 Republiek Congo uitgeroepen                                                                                                                                                                                                                                                                                 In 1960 verkreeg Congo volledige onafhankelijkheid en werd de Republiek Congo uitgeroepen. Youlou werd president en vormde een coalitieregering bestaande uit drie partijen. De geschiedenis van Congo- Brazzaville sinds de onafhankelijkheid in 1960 geeft een goed inzicht in de oorzaken van de problemen in de jaren negentig. Er is nauwelijks een periode geweest waarin de politieke macht niet afhankelijk was van de militaire macht. In Congo- Brazzaville was voortdurend sprake van een strijd om de schaarse middelen, versterkt door de voortdurende druk van het Internationaal Monetair Fonds te komen tot budgettaire soberheid en bezuinigingen.

De eerste president, Fulbert Youlou, leidde het land tot 1963. In augustus van dat jaar riepen de vakbonden, uit onvrede met de pro-westerse en op de voormalige kolonisator gerichte politiek van Youlou, een algemene staking uit en dwongen Youlou tot aftreden. Radicale elementen grepen de macht en een voorlopige regering werd gevormd met Alphonse Massemba-Débat als premier. In december 1963 werd bij referendum een nieuwe grondwet goedgekeurd en werden Massemba-Débat en de technocraat Pascal Lissouba tot president en premier benoemd.

1964 Mouvement National de la Révolution (MNR) In 1964 werd de marxistisch-leninistische Mouvement National de la Révolution (MNR) opgericht en werd Congo- Brazzaville een eenpartijstaat. Alphonse Massemba-Débat volgde een anti-westers getinte politiek. Er volgde een periode van voortdurende politieke strijd tussen het leger en de MNR. Ook de vakbonden behielden hun radicale invloed.

1968 Militaire coup In september 1968 werd Massemba-Débat afgezet bij een militaire coup onder leiding van de linkse legerofficier Marien Ngouabi. De MNR werd omgedoopt tot de marxistisch-leninistische Parti Congolais du Travail (PCT). De twee volgende decennia zou deze partij het politieke leven in het land domineren. De Fransen probeerden enige invloed in het land te behouden en steunden Ngouabi tot het moment – midden jaren zeventig – waarop hij niet langer bereid was de olierijke enclave Cabinda uit Angolese handen te houden.

1977 Ngouabi vermoord Als gevolg van een machtsstrijd binnen de politieke elite werd Ngouabi in 1977 vermoord tijdens een staatsgreep door aanhangers van Massemba-Débat en opgevolgd door legerleider Jacques Joachim Yhombi-Opango. Deze slaagde erin de controle over de partij bij het leger te leggen. Toen hij echter in 1979 zijn hand overspeelde en de partij rechtstreeks bruuskeerde door het partijcongres te annuleren gingen de machtige vakbonden de straat op. Yhombi-Opango stond zijn macht en bevoegdheden af aan een voorlopig door de PCT benoemd comité.

1979 Denis Sassou-Nguesso president In maart 1979 werd de voorzitter van dit voorlopig comité, Denis Sassou-Nguesso, benoemd tot president van de republiek en voorzitter van het centrale comité van de PCT. Voortaan had de partij het voor het zeggen en met het vertrek van Yhombi verloren ook de Fransen gaandeweg meer invloed. De volgende twaalf jaren streefde Sassou-Nguesso een conventionele marxistische eenpartijstaat na. Opvallend was evenwel dat uit pragmatische overwegingen de banden met Frankrijk en de westerse wereld niet werden verbroken. Sassou-Nguesso moedigde investeerders uit het westen aan en nodigde onder meer Amerikaanse docenten uit managementcursussen te geven in Brazzaville. Onvrede over het onvermogen van de regering de verslechterende economie nieuwe impulsen te geven, leidde tot een toename van de oppositie tegen de regering. Aan het eind van de jaren tachtig ontstond dan ook een sterke druk tot democratisering.

1991 Nationale conferentie Van maart tot juni 1991 werd een nationale conferentie over politieke hervorming gehouden. Deze resulteerde met steun van het leger in een meerpartijendemocratie en in juni 1991 was Sassou-Nguesso regeringsleider af en diende hij zijn bevoegdheden af te staan aan een nieuw benoemde premier, André Milongo, een voormalig functionaris van de Wereldbank. Op basis van een in maart 1992 gehouden referendum werd een nieuwe grondwet afgekondigd en werden verkiezingen voorbereid. Deze verkiezingen werden gedomineerd door de Union Panafricaine pour la Démocratie Sociale (UPADS), geleid door de vroegere premier en voormalig directeur Afrika van UNESCO Pascal Lissouba, die zijn basis en etnische oorsprong had in de provincies Niari, Bouenza en Lekoumou (collectief bekend als “Nibolek”). Een andere belangrijke stroming was de Mouvement Congolais pour la Démocratie et le Développement Intégral (MCDDI) van de vroegere anticommunist Bernard Kolélas, die zijn – etnische – basis had in de regio Pool bij Brazzaville. In het noorden van het land werd het politieke toneel gedomineerd door de Parti Congolais du Travail (PCT) van de vroegere marxistische dictator en noorderling Denis Sassou-Nguesso.

In juni 1992 vonden vervolgens de eerste verkiezingen plaats waarbij meerdere partijen betrokken waren op zowel lokaal als parlementair niveau. In de tweede ronde van de presidentsverkiezingen in augustus 1992 versloeg Lissouba (UPADS) zijn rivalen Kolélas (MCDDI) en Sassou-Nguesso (PCT).

1993 Burgeroorlog en verkiezingen Lissouba won de verkiezingen echter zonder een parlementaire meerderheid te behalen, zodat in mei 1993 nieuwe verkiezingen moesten worden gehouden. Deze verkiezingen gingen gepaard met grote onrust en gevechten tussen de milities van de verschillende kandidaten. De aanwezigheid van de milities zorgde er voor dat de politieke cultuur van Congo- Brazzaville werd gemilitariseerd en de ontstane onrust nam in 1993 de vorm aan van een burgeroorlog. Lissouba won 62 van de 125 zetels en de noodzakelijke tweede ronde leverde Lissouba 69 zetels op. De uitslag van de verkiezingen werd echter betwist door de oppositie. Een lijmpoging door Frankrijk en Gabon had succes en na een nieuwe tweede verkiezingsronde in oktober 1993 – het Hooggerechtshof had de oorspronkelijk gehouden tweede ronde ongeldig verklaard – kon een regering gevormd worden onder Lissouba. Als teken van verzoening werd Kolélas benoemd tot burgemeester van Brazzaville. Rond de jaarwisseling 1993/1994 was er van een burgeroorlog geen sprake meer. In een regering van nationale verzoening werden in januari 1995 ook leden van de oppositie opgenomen. Sporadische schermutselingen tussen de aan de verschillende leiders gelieerde milities bleven echter voorkomen tot in 1995.

Tussen oktober 1993 en juni 1997 was in Congo in feite sprake van een geleidelijke overgang naar een democratisch regeringsbestel. Hieraan kwam een einde in juni 1997 toen de situatie in het vooruitzicht van presidentsverkiezingen opnieuw ontaardde in een burgeroorlog.

1997 Burgeroorlog kost 200.000 mensenlevens De strijd ging voornamelijk tussen de democratisch gekozen president Lissouba, een zuiderling en de noorderling Sassou-Nguesso. Verschillende partijen raakten betrokken bij het conflict: de rebel Sassou-Nguesso werd gesteund door Angolese regeringstroepen, verbannen soldaten uit Rwanda, de Democratische Republiek Congo en de Centraal-Afrikaanse Republiek, internationale huurlingen, en zijn milities Cobra, en Lissouba werd gesteund door het nationaal leger, zijn milities Cocoyes en de milities Ninja van Bernard Kolélas. De totale oorlog die werd uitgevochten in de straten van de hoofdstad had dramatische gevolgen. De burgeroorlog kostte ongeveer 200.000 mensen het leven. De meerderheid van de bewoners van Brazzaville ontvluchtte de stad. Eind 1997 verbleven grote aantallen vluchtelingen uit Congo- Brazzaville in de Democratische Republiek Congo. Ongeveer 250.000 mensen waren in eigen land op de vlucht. Zware artilleriegevechten veranderden de stad in een puinhoop.

Oktober 1997 Einde regering Lissouba ; Sassou Nguesso aan de macht Dankzij de inzet van zijn Cobra’s en vooral de steun van buitenlandse dorpen was Sassou-Nguesso op 15 oktober 1997 heer en meester over de situatie in zowel Brazzaville als in Pointe-Noire en dit betekende het einde van de regering Lissouba. Meer dan 65% van politieke en militaire leiden vluchten naar buitenlanden. De Congolese bevolking kende zijn eerste massieve vlucht. Op 25 oktober 1997 werd Sassou-Nguesso tot staatshoofd beëdigd. Op 3 november benoemde hij een uit 33 leden bestaande overgangsregering van nationale eenheid, voornamelijk gerekruteerd uit bondgenoten en leden van zijn Parti Congolais du Travail (PCT). De inbreng uit het voormalige regeringskamp was marginaal. Een Nationaal Forum voor Verzoening diende een termijn voor presidentsverkiezingen vast te stellen. Daarnaast stelde het Nationaal Forum een uit 75 leden bestaand overgangsparlement Conseil National de Transition (CNT) in. De leden van dit parlement waren afkomstig uit partijen, beroepsgroepen, regionale en religieuze groeperingen die voor Sassou-Nguesso waren en werden zorgvuldig op etnische en politieke voorkeur geselecteerd.

De grondwet werd opgeschort (hiervan is momenteel nog steeds sprake) en de functie van premier werd afgeschaft. Sassou installeerde een van de onmenselijkste dictaturen van de wereld. Na de machtsovername door Sassou-Nguesso begon een voorzichtig proces van herstel. Vele vluchtelingen keerden terug en er was voedsel- en medische hulp aanwezig. Met name in de zuidelijke gebieden echter bleef de situatie na de burgeroorlog van 1997 voortdurend kwetsbaar. Sporadisch voorkomende gewelddadige acties van de verbannen oppositie zorgden onder meer voor ontwrichting van elektriciteitsvoorzieningen en van de belangrijke treinverbinding tussen Brazzaville en Pointe-Noire. In Brazzaville liep als gevolg van het instabiele politieke klimaat het aantal misdaden en overvallen op.

1998 In januari 1998 werd vervolgens vastgelegd dat uiterlijk in het jaar 2000 president- en parlementsverkiezingen zouden plaatsvinden. Regering en parlement konden deze termijn bekorten of verlengen.Aan het nog kwetsbare proces van herstel en re-integratie kwam een abrupt einde toen gedurende de tweede helft van 1998 de strijd opnieuw losbrandde. Kolélas en Lissouba besloten met ingang van september 1998 intensief samen te werken en het verzet te organiseren. Dit leidde tot een serie gewelddadige incidenten in de regio Pool. De milities van Sassou-Nguesso behaalden weliswaar enkele successen in het zuiden van het land, maar de aanwezigheid en steun van Angolese troepen was noodzakelijk voor het voortbestaan van de regering. Op 15 december 1998 sloeg de vlam in de pan toen het gerucht de ronde deed dat een aanzienlijk aantal pro-Lissouba manschappen de zuidwestelijke buitenwijken van Brazzaville – Bakongo en Makelekele – infiltreerde en president Sassou-Nguesso daarop besloot zijn eigen milities in te zetten. Deze sloegen vervolgens aan het plunderen. Op 16 december 1998 verslechterde de situatie toen ook burgers aan de plunderingen mee gingen doen. Om verdere instroom van mensen – veelal vluchtelingen uit de onrustige regio Pool – in de betrokken wijken te voorkomen, werd die dag voor het eerst door het regeringsleger zware artillerie tegen de milities van Kolélas en Lissouba ingezet. Toen de situatie na twee dagen nog niet onder controle was, ging het leger over tot een serieuze artillerieaanval op de wijken, waarbij de burgerbevolking niet werd ontzien.

1999 Eind januari was er opnieuw een burgeroorlog Het zuidwestelijke deel van Brazzaville was inmiddels geheel ontvolkt. Sassou-Nguesso, opnieuw gesteund door Angolese troepen, zette de regeringstroepen op grote schaal in tegen de milities van Kolélas en Lissouba. Daarbij werd zware artillerie ingezet waarbij onopzettelijk soms ook Kinshasa in de Democratische Republiek Congo werd getroffen. Dat deze incidenten niet vanuit Kinshasa werden beantwoord, was te danken aan het niet-aanvalsverdrag dat eind 1998 tussen Sassou-Nguesso en president Kabila van de Democratische Republiek Congo was gesloten. Bovendien bevonden zich in beide hoofdsteden Angolese regeringstroepen.

Sassou-Nguesso had grote moeite zich te handhaven. De strijd had zich in februari 1999 uitgebreid naar het westen, tot de strategisch belangrijke stad Dolisie (Loubomo), nabij de Angolese enclave Cabinda en de oliehaven Pointe-Noire. In februari verlieten echter ook steeds grotere aantallen Angolese troepen Brazzaville en Pointe-Noire, omdat de strijd in Angola tegen de UNITA de inzet van meer regeringstroepen daar noodzakelijk maakte. Deze ontwikkeling verzwakte de militaire positie van het Congolese regeringsleger aanzienlijk. Van de aanvankelijk ordelijke tegenstelling tussen het leger van Sassou-Nguesso enerzijds en de opstandige milities van Kolélas en Lissouba anderzijds, was al gauw vrijwel niets meer over. Ook het regeringsleger viel nu uiteen in verschillende oncontroleerbare milities. In de hoofdstad was voornamelijk nog slechts sprake van bendes, die elkaar met artillerie en raketten bestookten.

Gedurende de periode maart tot het midden van 1999 gelukte het Sassou-Nguesso echter dankzij de steun van de nog aanwezige Angolese troepen zijn greep op de gebeurtenissen in zekere mate te herwinnen. Ook was er steun van Rwandese Hutu’s, Tsjadiërs en Congolezen uit de Democratische Republiek Congo.

In de hoofdstad Brazzaville en in Pointe-Noire hadden regeringstroepen en Angolese troepen in de zomer van 1999 de situatie redelijk (Brazzaville) tot goed (Pointe-Noire) onder controle. In de hoofdstad leefden de verschillende etnische groepen weer redelijk vreedzaam samen. De luchthaven van Brazzaville was stevig in handen van Angolese troepen en in gebruik.

Het gebied ten zuidwesten van Brazzaville was in de zomer van 1999 praktisch in handen van de rebellen en regeringstroepen waren er niet in geslaagd de controle over de in dit gebied gelegen spoorweg tussen Brazzaville en Pointe-Noire op de rebellen te heroveren. Dit betekende dat voor de bevoorrading van een groot deel van het land tegen hoge kosten vliegtuigen moesten worden ingezet. Het dunbevolkte noorden van het land bleef gedurende de gehele periode oktober 1997-zomer 1999 in redelijke mate gevrijwaard van oorlogshandelingen en onder controle van het centrale gezag.

16 november 1999: Vredesovereenkomst Vanaf de zomer van 1999 verbeterde de veiligheidssituatie in Congo doordat regeringstroepen steeds grotere delen van het land in handen kregen. Sinds die zomer ondernamen de betrokken partijen pogingen om te komen tot een vredesovereenkomst. Een aantal gematigde oppositieleden keerde in september naar Brazzaville terug om een begin te maken met de vredesbesprekingen. Dit resulteerde in een overeenkomst om de vijandelijkheden te beëindigen, welke op 16 november 1999 te Pointe-Noire werd ondertekend. Overeengekomen werd dat de milities hun wapens zouden neerleggen in ruil voor amnestie en rehabilitatie en dat het regeringsleger de aanvallen op de milities zou stopzetten. De overeenkomst bevatte geen politieke of militaire concessies van de regering en betekende in feite weinig meer dan de overgave van de rebellen. Zowel Kolélas als Lissouba waren niet zelf bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken en verwierpen deze. Sassou-Nguesso, die evenmin bij de overeenkomst was betrokkene, accepteerde deze echter als een concrete reactie op zijn oproep tot vrede.

1999 Amnestie voor misdadigers 1993-1999 Op 8 december nam de Conseil National de Transition (CNT) een wet aan op basis waarvan amnestie kon worden verleend voor misdaden begaan tijdens de oorlogsperiode 1993-1999. Allen die zich zouden terugtrekken uit de milities en hun wapens zouden inleveren vóór 15 januari 2000, zouden hiervan profiteren.Degenen die hun posities hadden misbruikt waren uitgesloten van amnestie. Deze uitzondering betekende dat Kolélas, Lissouba en anderen die betrokkene waren geweest bij de organisatie en financiering van rebellenacties, van amnestie werden uitgesloten. Op 29 december 1999 werd in Brazzaville een formeel staakt-het-vuren en een vredesakkoord overeengekomen tussen de regering en de rebellen die de politieke organisatie de Conseil National de la Résistance (CNT) hebben opgericht. Artikel 13 van dit vredesakkoord eist dat beide partijen een vredesdialoog moeten organiseren met alle betrokken partijen.Maar dit wilde dictator Denis Sassou-Nguesso niet! In plaats daarvan heeft hij gekozen voor corruptie van bepaalde politici en militairen.

Sassou vermoordt 359 onschuldige mensen!                                                                                                                                                                                                                                                      Hoewel Sassou-Nguesso beloofde dat alle vluchtelingen veilig terug mochten komen in het land, werden 359 mensen, die uit Kinshasa kwamen, vermoord in 2000. Tot op heden loopt er een justitiële klacht tegen Sassou-Nguesso en sommige militairen over deze verschrikkelijke executies.De amnestiewet leidde tot een begin van ontmanteling van de milities. Al met al was de positie van de regering Sassou-Nguesso begin 2000 aanzienlijk versterkt.

Fraude met verkiezingen in 2002 en 2009                                                                                                                                                                                                                                                                   In 2002 won de dictator president Sassou-Nguesso met 90% van de stemmen de frauduleuze presidentsverkiezingen. Er kwam een nieuwe grondwet die de president veel macht toekende. Tevens werd er een twee-kamer parlement ingesteld. In 2009 won Sassou-Nguesso weer de presidentsverkiezingen waarbij opnieuw fraude werd gepleegd. Hij kreeg 88% van de stemmen.

2012  Explosies in wapendepots van Denis Sassou in hoofdstad Brazzaville                                                                                                                                                                                                Op 4 maart 2012 zijn er door explosies door opslag van wapens van Sassou, honderen mensen om het leven gekomen. Daarbij vielen duizenden gewonden en veel mensen zijn dakloos geworden door deze explosies.Geschiedenis Congo

Deze post is ook beschikbaar in: Engels, Frans